Weggestopt

Dit had mij kunnen overkomen. Dit hadden mijn ontblote lichaamsdelen kunnen zijn, gespreid en besmeurd met mijn eigen bloed, in een naar pis stinkende donkere hoek van een steeg getrapt. Mijn kapotgescheurde rok. Mijn met geweld omhoog getrokken trui, strakgespannen om mijn nek. Dit had mijn gezicht kunnen zijn waar al het leven uitgeslagen is. Mijn achterhoofd raspend tegen de gruizige muur. Die blik, die verschrikkelijke blik, als het onthoofde hoofd van medusa voor altijd bevroren in onmetelijke kwelling. De laatste tijd zie ik die blik, als ik even knipper met mijn ogen of in slaap dommel op de bank. Dan voel ik de controle wegvloeien.

**

‘Hi Miran, heb je het naar je zin?’ vraag ik mijn collega nu we eindelijk een moment samen zijn. Hoge plafonds, bakstenen muren, gloeilampen met de kleur van vloeibaar goud en cultureel verantwoorde Jazz gemengd met bassige beats maken dit grandcafé zoveel smaakvoller dan de uitgaanstentjes die we in Oudenbosch hebben. Niet dat ik thuis vaak ga stappen. Niet sinds Siem en ik Nina hebben. Ik mis het wel en ben zó blij dat we vanavond hier aan de Lijnbaansgracht terecht zijn gekomen. Halfronde banken aan palmbladtafels als je wilt zitten en een vloer onder een sterrenhemel als je wilt dansen. De champagne was mijn idee. De baas betaalt, en ik kan goed tegen champagne. Het laatste dat ik wil is de controle kwijtraken te midden van mijn collega’s. Iets waar Davy zich duidelijk niet druk om maakt en Esmee evenmin. Davy… dat is toch geen naam voor een baas? Davy is een naam voor het vriendje waar je neefje mee op straat voetbalt. En Tjeerd, de lul. Tjeerd is een afstotelijke, achterbakse, knappe man met zijn brede kutschouders en zijn dikke, halflange haar. Ik schijt op hem. 

‘Ik zei: heb je het naar je zin?’ herhaal ik zo luid als mijn schorre stem kan. Ze verstaat me niet. Miranda is lief. Ze heeft een, hoe heet zo’n ding? Een maagband! Ze heeft een maagband en kan nu minder eten. Ze ziet er leuk uit vanavond, met haar lange, donkerrode haren. We hebben allebei een groene jurk aangetrokken. Volkomen toevallig. 
In mijn ooghoeken zie ik de lul weer. Al heel de avond probeer ik hem de zes tegenover mijn twaalf te laten zijn. De noord tegenover mijn zuid. Gatver wat schijt ik op die Tjeerd.

‘Nee bedankt, ik doe even rustig aan,’ antwoordt Miranda uiteindelijk, waarna ze haar oor op tafel legt om met haar hand haar pumps van haar voeten te trekken.

‘Dat vroeg ik niet, ik vroeg… laat maar.’ Demonstratief laat ik de lege champagnefles boven mijn glas uitlekken terwijl die leuke jongen van de bediening langsloopt. Het zal niet lang duren voordat de fles wordt omgeruild voor een volle. ‘Hey Miran, Miran, Miranda! Heb je het een beetje naar je zin?’ vraag ik aan mijn collega nu we eindelijk een moment samen zijn. De sterrenhemel begint te draaien, alsof Van Gogh hem geschilderd heeft.

**

Raam op een kier of dicht? De zon naar binnen laten schijnen of de zonwering omlaag doen? De radio aan of uit? Welke zender dan? Alsjeblieft geen Radio 538, kom op zeg! En ja, dit is mijn plek, of is dat soms een foto van jouw dochtertje? Zoek je eigen flexplek.

Het is nu drie weken geleden dat we naar dit kantoorpand zijn verhuisd, en ik weet niet wat het is, maar we kunnen onze draai hier niet vinden. Davy, onze veel te jonge baas, bracht ons hier. De zaken gaan goed. We groeien. Maar ik mis ons pandje in Rucphen. Ik mis de lunchwandeling tot aan de rand van het bos nog het meest. We kunnen hier geen kant op, tenzij je van snelweg en industrieterrein houdt. 

Je kunt van alles over Davy zeggen – en geloof me, dat doe ik dan ook – maar niet dat hij blind is voor de stemming in de groep. Komende vrijdag gaan we naar Amsterdam. Een bedrijfsuitje. We gaan stappen en dan overnachten in een hotel. Maar eerst vandaag zien door te komen. Ik moet mijn marketingstrategie presenteren aan de verkopers en ik heb spijt als haren op mijn hoofd dat ik niet beter mijn best heb gedaan op mijn plannen. Ik weet niet wat er de laatste weken mis met mij is, maar ik loop de kantjes ervan af. Ik betrap mezelf er steeds vaker op dat ik dat liedje van Doe Maar in mijn hoofd afspeel. Als ik wakker word. Op weg naar werk. Als ik in mijn auto stap na weer een troosteloze werkdag. “Is dit alles… ohoe ohoe ooo… Is dit alles wat er is.”  
Ik trek mijn bureaula open, maar ben vergeten waarom. Nog drie minuten en dan lopen we in een lange rij door de gang naar de vergaderkamer. 

Achter het driedubbele glas raast het verkeer geluidloos over de twee keer drie banen snelweg voorbij. Minstens zo veel auto’s en vrachtwagens willen van links naar rechts als andersom. Niemand is waar hij moet zijn en ik, zo voelt het, nog het minst. Ik zie dat mijn rok niet helemaal recht zit, maar weersta de neiging om eraan te trekken.

‘Welkom allemaal,’ begin ik, terwijl ik met mijn muis per ongeluk drie in plaats van twee keer op het icoontje van mijn PowerPointpresentatie klik. Als de muur achter mij zich eindelijk vult met de woorden “Strategisch jaarplan” zie ik drie vrouwen en zes mannen verveeld toekijken. Alleen ik weet op dit moment hoe ondermaats de veertien slides zijn die komen gaan.

‘Dat was het?’ vraagt Tjeerd zogenaamd niet begrijpend als even later het woord “einde” sukkelig op de muur geprojecteerd staat. 

‘Ja, zijn er nog vragen?’ 

‘Serieus? Dit was het? Dit is jouw strategisch jaarplan?’

Fuckerdefuck fuck! Ik voel mijn hoofd gloeien.

‘Was het niet duidelijk?’

Ik zie Tjeerd vol ongeloof naar Davy kijken.

‘Was er iets niet duidelijk?’ vraag ik nogmaals. De trilling in mijn stem is voor iedereen te horen.

‘Wat Tjeerd misschien bedoelt te zeggen,’ begint Davy, ‘is dat… is dat… is dat je best wel wat groter mag denken, Franciska.’

Hij noemt me altijd Cis. Maar goed, ik herken een reddingsboei als ik hem zie, dus ik zal hem vastgrijpen.

‘Juist, ja,’ hoor ik mezelf met een hoge stem zeggen. ‘Ik moet duidelijk nog even wennen aan onze recente uitbreidingen. Weet je wat? The sky is the limit. Je hebt helemaal gelijk. Geef me even de tijd, dan werk ik aan iets veel groters. Helemaal leuk, helemaal zin in.’ Ik kots van mijn eigen woorden. Tjeerd zit hoofdschuddend te lachen en laat demonstratief zijn pen op tafel vallen. 

‘Jezus Francis,’ mompelt hij.

‘Doe dat,’ zegt Davy, waarna hij opstaat en wegloopt. De rest loopt met elkaar smoezend achter hem aan, behalve de lul. Ik sluit mijn laptop en zie hem naar me toe komen lopen. Hij blijft vlak voor me staan en kijkt op me neer.

‘Je mag dan een lekker wijf zijn, maar ik laat jou niet de hele boel verpesten hier. Maak alsjeblieft plaats voor iemand die dit werk wél kan.’ De echo van zijn gefluisterde woorden knalt tegen de wanden van mijn schedel terwijl hij zijn telefoon beantwoordend de vergaderkamer uitloopt.

De avondzon piept onder onze terrasoverkapping door en zet de witte, gestucte muur van ons rijtjeshuis in een oranjeroze gloed. Ik kijk naar de ingelijste zwart-witfoto van Nina. Haar grote peuterogen staren volkomen onschuldig naar me terug. Gisteren is Nina negen jaar oud geworden en de slingers hangen nog in de woonkamer. Dan kijk ik naar Siem, mijn man. We eten spaghetti en hij valt zijn eten, ook al zijn we al zo vaak naar Italië op vakantie gegaan en weet hij heus wel beter, ongegeneerd met mes en vork aan. Nina en Siem, ze zijn magisch. Ze geven me energie ook al doe ik soms alsof het omgekeerde het geval is. Ik probeer een zucht te verbergen in een geveinsde hoestaanval. Ze weten niet hoe bezoedeld mijn gedachten nu zijn. Hoe onteerd ik ben. Ze weten niet welke vernederingen en incompetentie ik naar binnen heb gesmokkeld. Maar ík weet het, en het huis weet het, en ik ben zo ontzettend bang dat het slechts een kwestie van tijd is voordat ik ook Nina en Siem heb geïnfecteerd. 

‘En bij jou?’ vraagt hij na een slokje wijn. ‘Hoe was het bij jou op je werk vandaag?’

Ik stel me voor hoe een roestvrijstalen wand mijn besmette gevoel inkadert zodat ik gewoon kan praten met mijn man alsof er niets aan de hand is, zonder het gevoel te krijgen hem te misleiden. 

‘Goed,’ zeg ik kort maar krachtig. Dan proef ik het zout van een traan in mijn mondhoek.

‘Lieverd!’ zegt hij. Soepel glijdt de stoel die ik van nieuwe viltjes heb voorzien naar achter. Hij loopt om de tafel heen, gaat gehurkt achter me staan en slaat zijn armen om me heen. Ik verstijf. In stilte blijven we zo zitten totdat het lek grotendeels gedicht is. Nina zit in haar eigen wereld dansbewegingen te maken met haar armen en te zingen in het bijna-Engels. 

‘Wil je er nu misschien over praten?’ vraagt Siem. We kijken onze – ik vermoed vooral míj́n – favoriete Netflixserie en hij zal door hebben gehad dat ik naar het donkere raam naast de tv zit te staren. Nina ligt in bed of is in ieder geval op haar kamer. Ik doe het niet meer, ik vertik het. Ik laat niet meer zien wat ik voel. Ik wil er niet over praten. Vernedering, stress, het gevoel niet goed genoeg te zijn… het is erg genoeg dat deze gevoelens bij mijn leven horen, maar ik wil ze alleen associëren met mijn werkomgeving, niet met mijn huis met vloerkleden op een houten vloer en zeker niet met slingers in de woonkamer en spijkerbroeken met bloemmotieven in de wasmand. Maar elke keer dat ik denk een eiland van ontspanning te bereiken, zie en hoor ik in mijn niet te stoppen gedachten Tjeerd. De dingen die hij zegt zijn pijnlijk, een beetje waar en heel gemeen. Ik voel mijn bloed koken in mijn aderen. 

‘Komt goed, Siem,’ zeg ik. ‘Wat ik nodig heb, is een massage,’ weet ik er luchtig aan toe te voegen waarop ik mijn voeten op zijn schoot leg en de tv wat harder zet. Ik weet niet of de massage lekker voelt of waar de serie over gaat. Ik weet niet of ik in staat zal zijn te slapen vannacht. Ik weet niet of mijn hart voor altijd zo uitputtend blijft pompen. 

**

‘Cis! Miranda!’ 

Ik kijk op en zie Davy voor ons tafeltje staan met zijn jas over zijn arm geslagen. Hij kijkt als een kind dat een nieuwe racebaan aan het uitpakken is. God allemachtig, ik kan er nog niet bij dat deze knul mijn baas is.

‘Kom mee, we gaan door naar een andere tent.’

Miranda staat op en ik blijf zitten. Ze steekt haar arm uit en gehoorzaam pak ik haar warme hand. Ze begint te trekken en voor ik door heb dat ze me helpt opstaan laat ze hem los. ‘Jezus, Cis,’ zegt ze, ‘wel een beetje meewerken!’

Ik sta op en zoek steun met mijn hand op het gouden palmblad. Ik heb praktisch de hele avond gezeten, ik denk dat mijn benen slapen.

‘Mijn benen slapen!’ roep ik met schorre stem terwijl ik achter hen aan waggel. Voor ik het weet, sta ik met al mijn collega’s samengeperst in het smalle halletje bij de garderobe. Iemand duwt mijn jas in mijn handen en ik trek hem aan. Dan staat Tjeerd opeens pal voor me, met zijn rug naar me toegekeerd. Ik zie een grijze haar glinsteren in zijn perfecte donkere kapsel. Ik pluk het magnifieke teken van zijn vergankelijkheid uit zijn hoofd en hij heeft het nog niet eens door. Nog voor ik hem voor gek kan zetten – hij is tenslotte pas negenentwintig – verdwijnt de hele groep joelend naar buiten. Ik hou de zilvergrijze haar nog even triomfantelijk omhoog, maar niemand heeft oog voor mij.

‘Wie heeft er een idee waar we nu heen gaan?’ vraagt Davy.

Tjeerd heeft natuurlijk het hoogste woord. ‘Naar de Wallen!’ roept hij en de rest volgt hem. Natuurlijk wil hij naar de Wallen, de lul!

Miranda komt tegen me aan staan. ‘Ik wil terug naar het hotel,’ zegt ze, ‘en jij kan ook maar beter met mij meegaan.’ Ik knik en nadat ze even met Davy heeft gesproken komt ze weer bij mij en steekt ze haar arm in de mijne. In haar andere hand houdt ze haar mobiel waarop een blauwe lijn de route naar ons hotel aangeeft. We beginnen te lopen en ik merk dat ik Tjeerds grijze haar nog steeds vast heb. Ik plak hem op de mouw van mijn zwarte, vilten jas. Ik kijk er tevreden naar. Volledig grijs, bijna wit. Ik ben echt niet gek.

‘Getver, moeten we hier echt heen?’ vraagt Miranda, kijkend op haar mobiel. Ik kijk met haar mee. Het eerste stuk van onze blauwe reddingslijn blijkt door een donkere steeg naast het grandcafé te gaan. ‘Heel even, we zijn er zo doorheen,’ zeg ik. Het is een zwoele nacht en ik voel gewoon dat mij niets kan gebeuren.

Het holle getik van onze hakken weergalmt tegen de donkere muren. De steeg is zo smal dat ik Miranda’s arm heb losgelaten en nu achter haar aan loop. Een haperende lamp in een door insecten overwoekerde kunststof kap zet een groepje vuilcontainers onregelmatig in een zwak licht. Steeds als het licht even schijnt lijkt de sfeer verslechterd te zijn. Onbewust vertraag ik mijn pas. Het is hier kil, het stinkt en mijn gevoel van onoverwinnelijkheid is weggevaagd. Opeens sla ik mijn handen tegen mijn oren. Miranda gilt het uit. Mijn blik volgt de richting die haar arm aangeeft en dan zie ik iets liggen. Donker. Als het licht even aanspringt, kijken kille ogen mij aan in een van afschuw verwrongen gezicht. Miranda loopt snel door en roept mijn naam. Ik moet weten of ze levend of dood is en schuifel voorzichtig naar het onderuitgezakte vrouwenlichaam toe. In het volgende lamplicht zie ik haar ontblote bovenlichaam. Ik zie een haarelastiekje om haar pols. En ik zie dezelfde paarsblauwe kleur zowel op haar lippen als op haar tepels. Ze is dood. De tijd lijkt even stil te staan en ik voel alles tegelijkertijd. Ik voel het onrecht van eeuwenlange vrouwenhaat, een bloedige geschiedenis van mannen die vrouwen vermoorden. En ik voel de woede tegenover Tjeerd. Hoe hij mij kleineert, ondermijnt en weet te reduceren tot een schaduw van wie ik eigenlijk ben. En dan komt er nog een klap, ik voel iets heel diep in mij alsof iemand mijn maag vastklemt met een roestige tang en hem via mijn slokdarm eruit rukt. Ik proef verbrand vlees en mijn mond vult zich met kots. Ik kan het nog net inslikken. Dan hoor ik mijn naam en probeer ik weer rechtop te staan. Een kille tocht gaat gepaard met een scherpe chloorlucht. Weg hier. Ik gris het haarelastiekje van haar pols, pluk de zilvergrijze haar van mijn mouw en laat hem op de ontblote borst van de vrouw vallen.

Ik versnel mijn pas en loop naar Miranda toe.

‘Heb je 112 gebeld?’ vraag ik. ‘Ze is dood…’

Miranda knikt.

De ontbijtzaal van het hotel is niets meer dan een kale, vierkante ruimte met plastic tafels en stoelen. Ik kijk naar de regendruppels op de ramen met het felle, grijze ochtendlicht erachter. Ik neem langzaam kleine hapjes van een croissant en heb het gevoel dat ik aan het verdwijnen ben. Mijn collega’s worden gezichtloze schimmen, hun stemmen gedempte klankwolken. 

**

What happens in Amsterdam, stays in Amsterdam. Hoe vaak ik die zin de afgelopen drie dagen door een van mijn collega’s heb horen zeggen! Ik kan het woord Amsterdam niet meer horen en mijn collega’s niet meer uitstaan. Er wordt veel te veel gelachen. ‘Hey Champagne-Cis, gaat-ie weer een beetje?’ roepen ze naar mij terwijl ik me probeer te concentreren. De letters op mijn beeldscherm beginnen te trillen. Geïrriteerd pluk ik een haar uit mijn gezicht en zie ik dat we bezoek krijgen. Een man en vrouw melden zich bij de receptie. Esmee brengt haar telefoon naar haar oor en achter mij hoor ik die van Tjeerd overgaan. In een impuls doe ik mijn haar los en stop het haarelastiek diep in mijn broekzak.

**

Man uit Prinsenbeek opgepakt voor moord in Amsterdam

Een negentwintig jarige man uit Prinsenbeek (NB) is opgepakt in verdenking van het gruwelijk mishandelen en vermoorden van een twintigjarige vrouw in het centrum van Amsterdam. De politie laat weten dat ze forensisch bewijs hebben gevonden dat wijst naar de verdachte Tjeerd H. die eerder al opgepakt is geweest in verband met verboden drugsbezit.

Het slachtoffer werd eind juni gevonden in de Watersteeg niet ver van het Leidseplein. Volgens de politie is de vrouw doodgeslagen met een hard voorwerp en daarna met chloor overgoten. 

Of er een verband is tussen het slachtoffer en de verdachte is nog niet duidelijk.

**

Nina logeert bij mijn ouders. ‘Pap! Mama doet weer raar,’ zei ze en daarna sloeg ze met de kamerdeur en stampte ze naar boven. Mama voelt zich niet zo lekker, nee. Mag het? Siem heeft me ziekgemeld en ik zie dat hij zich zorgen maakt. Overal vind ik haar. Op de bank, in de gootsteen, op de badkamervloer. Ik sta voor de spiegel en zie een gezicht dat ik nauwelijks herken. Kale plekken. Blauwpaarse kringen. Siem blijft ook maar vragen hoe het met me gaat. ‘Ophouden! Je moet ophouden!’ Ik trek aan mijn haar, bekijk de pluk dode strengen in mijn hand en begin te grijnzen.

Ik moet slapen maar ik kan het niet. Steeds als mijn ogen even dichtvallen zie ik paarsblauwe lippen en paarsblauwe tepels in melkwit water. Dan spannen mijn vingers zich om het haarelastiek. Dan trek ik eraan en laat ik het met een felle tik tegen de dunne huid van mijn pols slaan.

**

Het zijn de pillen die me kalmeren, die me helpen slapen. Maar ik voel dat ze iets voor mij verbergen. Ik heb sterk het gevoel dat er iets is. Ik kan het niet uitstaan niet te weten wat er aan de hand is. Ik heb mezelf naar beneden weten te krijgen en nu sta ik geleund met mijn voorhoofd tegen de dichte woonkamerdeur. Ik hoor een stem. Het is Siem. Ik hou mijn oor tegen de deur om op te vangen wat hij zegt.

‘…een enorme terugval, het gaat niet goed met haar. Ik… ik… er is iets dat je moet weten. Er is iets gebeurd, acht jaar geleden. Franciska’s zus is vermoord door haar ex en Cis is degene die haar vond. Gewurgd, in bad. Ik heb het idee dat het allemaal weer terugkomt door wat ze in Amsterdam heeft gezien.’

Dan hoor ik een vrouwenstem, te dun om door de deur te dringen. Ik moet weten wie het is. Ik open de deur en stap de woonkamer in. Miranda. Het is Miranda. Ze slaat haar hand voor haar mond en heeft ogen zo groot als kiezels. Siem springt op, trekt het kleed van de bank en slaat het om me heen. De harige wol kriebelt op mijn blote rug. Siem duwt me naar boven en stuurt me naar bed.

**

Ik word wakker. Ik word steeds weer wakker, wat betekent dat ik ook steeds weer slaap. En ook steeds weer droom. Ik droom zo vreemd. Kille ogen, koud water, ik vertrek naar mijn werk maar ben vergeten dat het eten nog op het vuur staat. Dan word ik steeds weer wakker.

Siem gaat gehurkt naast het bed zitten.

‘Schat? Ben je wakker?’

Ik knik. 

‘Miranda was hier en ik moest aan jou doorgeven dat Tjeerd is opgepakt en vastzit. De politie denkt dat hij de vrouw heeft vermoord die Miranda en jij in Amsterdam gevonden hebben.’

Mijn hart begint weer te zwoegen. De spiertjes rond mijn oogbollen doen pijn van de inspanning. Ik probeer te begrijpen wat er gezegd wordt. Tjeerd, Miranda, Amsterdam. Tjeerd, Miranda, Amsterdam. Ik ben vergeten dat het eten nog staat te koken. Kille ogen, koud water. Ik ben iets vergeten, maar ik weet niet meer wat. Blauwpaarse lippen. 

‘Schatje? Miranda wil graag met jou erover praten. Ze wil je iets vragen. Denk je dat je dat kan?’

Ik schiet uit bed en ren de trap op naar zolder. Daar is het donker. Ik wil niet zien wat ik zie. Ik sla mijn armen om mezelf heen in de donkerste hoek. Voetstappen komen de trap op en dan hoor ik een klik. Haperend en schokkend komt een fel licht tot leven. Met elke flits zie ik dode ogen langzaam opengaan. Ik gil tot mijn keel bloedt.

**

Iedereen is er hier slechter aan toe dan ik. Mensen kreunen en krijsen. Ze bewegen als metronomen. Ik ben hier maar tijdelijk, dat is mij wel duidelijk. Het gaat al beter met me en vandaag komt Siem weer langs. Voor het eerst neemt hij Nina mee. Eergisteren kreeg ik weer bezoek van de politie. Een man en een vrouw, ik ben vergeten hoe ze heten en ze hadden geen uniformen aan. Ik moest precies beschrijven wat ik in Amsterdam had gedaan en gezien, ik heb het gevoel alsof het me al eerder is gevraagd. Ik zag aan hun gezichten dat ze verbaasd waren wat ik te zeggen had. Paarsblauwe lippen, paarsblauwe tepels, melkwit water. Toen begonnen ze te vragen naar Tjeerd. Wat ik van hem vond. Waar hij was die avond. Eerlijk gezegd begreep ik niet waarom we het over hem moesten hebben, maar ik liet me niet van mijn stuk brengen. Hoe sneller ik hier weg kan, hoe beter. ‘Tjeerd is Tjeerd,’ zei ik. ‘Een lul. Altijd al geweest.’

Er wordt op de deur geklopt. Siem stapt breed lachend naar binnen. Aarzelend verschijnt Nina achter hem in de deuropening. ‘Kijk Nina, hier zit mama. Mama is ziek, maar voelt zich steeds wat beter.’

Stapje voor stapje komt ze dichterbij. Ik grijns om haar gerust te stellen. Ze heeft dezelfde bruine krullen als haar moeder – het haar waar ik, met mijn futloze donkerblonde gordijnkapsel, een leven lang jaloers op was geweest. Maar voor het eerst zie ik de kille, blauwe ogen van haar vader. Ik zie dat ze schrikt van mijn blik en probeer weer te lachen. ‘Nina,’ zeg ik, ‘je moet leven Nina, je moet leven.’

**

Wat valt er nu nog te zeggen? Dat ik beter ben geworden? Ze zeggen van wel. Ik ben in therapie gegaan om eindelijk de moord op mijn zus echt te verwerken. Alles eruit gegooid dat zo hardnekkig vastgekoekt zat als het aangebrande stoofvlees dat ik rook op de dag dat ik haar lichaam aantrof in bad. Mijn lieve zus. Ik mis haar zachte woorden die ik zo vaak nodig had om me beter te voelen. Ik heb eindelijk gehuild, gejankt en gerouwd. Zolang als nodig was. Uiteindelijk heb ik foto’s verbrand en een pijn losgelaten die ik al veel te lang bij me had gehouden. 

Nu mag niet alles alsnog instorten. Ik adem diep in, hou mijn adem vijf seconden vast en adem langzaam uit. 

Siems liefde voor mij blijkt echt onvoorwaardelijk te zijn. En onze liefde voor Nina evenzo. We hebben onszelf ontworteld en verplant, Siem, Nina en ik. Ons leven is door elkaar geschud, neergeslagen, omgegooid en weer opgebouwd in België waar we een klein tuincentrum aan de rand van een dorp hebben. Maar ik wist altijd al dat ik nooit helemaal beter zou worden. Dat het onzichtbaar is, maar nooit helemaal weg. Soms voel ik dat er nog iets in mij leeft. Dan grijp ik naar mijn pols. Maar het haarelastiekje is er niet meer. 

Nu mag niet alles instorten. Ik adem diep in, hou mijn adem vijf seconden vast en adem langzaam uit en negeer het gebonk op de deur.

In de jaren dat dit ons leven is, heeft Nina zich ontwikkeld tot een slimme meid die is begonnen aan het eerste jaar van het secundair, zoals ze hier het middelbaar onderwijs noemen. Ze is zó mooi dat het me beangstigt. De Griekse mythologie staat vol met verhalen over vrouwen wiens schoonheid hen niets dan ellende oplevert. Mijn zus was te mooi om het uit te mogen maken met haar vriend. Medusa was zó mooi dat ze door Poseidon verkracht werd en vervolgens door een jaloerse Athene veranderd werd in een monster met slangenhaar die eenieder die haar aankijkt met haar blik versteent.

Nu mag niet alles instorten. Ik adem diep in, hou mijn adem vijf seconden vast en adem langzaam uit. Ik negeer het gebonk op de deur en verstevig mijn grip op het handvat.

Nina weet niet anders dan dat Siem en ik haar ouders zijn. Een geheim dat nooit onthuld mag worden. Koste wat het verdomme kost. Ook al heet je Miranda, heb je warme handen, een maagband en prachtig, donkerrood haar.

Nu mag niet alles instorten. Ik adem diep in, hou mijn adem vijf seconden vast en adem langzaam uit. Ik hoor de gedempte kreten en span mijn spieren aan.

Het is een mooie zaterdag in april. Siem en Nina werken de benen uit hun lijf in het tuincentrum. Ik niet. Ik sta weggestopt in het kille toilet voor het personeel, achter de schuur waar we onze voorraad hebben staan, naast de koelcel waar we onze snijbloemen ’s avonds bewaren. Ik sta versteend voor de spiegel te staren in mijn eigen onpeilbare ogen en probeer de kracht op te roepen die diep in mij zit. Miranda was hier. Ik had net de kleine esdoorns die nu zo mooi in het blad komen netjes neergezet en stond op om mijn rug te stretchen toen ze me zachtjes op mijn schouder tikte. Ik weet niet hoe het haar is gelukt, maar ze heeft me gezocht en gevonden. Ik wist werkelijk niet waar ze het over had, toen ze begon over Tjeerd, die nu al jaren gevangen zit en volgens haar onschuldig is. Maar mijn maag verkrampte, en mijn oogleden begonnen te trillen. Toen mijn hart begon te zwoegen en de stofjes in mijn hersenen zich omzetten naar vloeibare adrenaline, heb ik mezelf geëxcuseerd en ben ik weggelopen. Nog voor ik de voorraadschuur bereikte, was de hele noodlottige avond in Amsterdam ontrafelt alsof ik met rummikub eindelijk op tafel kon om vervolgens op een zieke manier heel mijn bordje leeg te kunnen spelen. Tjeerd is een lul, Tjeerd verziekte mijn leven, Tjeerd was in Amsterdam, we waren allemaal in Amsterdam, een grijze haar, Miranda en ik gaan terug naar het hotel, we vinden een lijk en… 
Het gebonk en het gedempte geschreeuw worden steeds wanhopiger. Ik kijk naar de deur van de koelcel. Miranda had me niet achterna moeten lopen. Ik schrik van een hard geluid. Snel trek ik mijn telefoon uit mijn broekzak. Ik zie dat Siem belt en druk hem weg. Even later hoor ik zijn stem blikkerig over het terrein galmen. ‘Franciska, kassa erbij alsjeblieft.’ Met trillende handen hou ik mijn mobieltje vast en staar ik naar het scherm alsof het mij zal laten zien wat ik moet doen. Er verschijnt een berichtje van Nina: “Mam, waar zit je? Je moet ons helpen.” 

Ik adem diep in, hou mijn adem vijf seconden vast en adem langzaam uit.

Ja schat, ik zal je helpen! 

Met de spade stevig in mijn hand, loop ik naar de koelcel. Langzaam trek ik met mijn linkerhand de zware deur open. De verlichting springt in drie korte flitsen aan waardoor ik eerst het stalen uiteinde van de schop bevroren in de lucht zie hangen, vervolgens een paar weid opengesperde ogen tussen twee opgestoken handpalmen zie, en uiteindelijk in het volle licht grote slierten bloed uit haar hoofd zie gutsen die doen denken aan haar mooie donkerrode haren en de slangen van Medusa. 

Plaats een reactie