Het water kolkt, briest en bruist langs de basaltstenen oever. Het kijken naar de patronen van de tegengestelde stromingen maakt hem duizelig. De vochtige zandgrond trilt als er een eindeloze goederentrein over zijn hoofd dendert. Wat heeft hem hier gebracht? Ja, die roestbak waarvan de apk al jaren is verlopen. En daarvoor de brommer en daarvoor zelfs de fiets. Maar dat is te makkelijk. Hij zoekt echte antwoorden en iets scherps om hem bij de les te houden. Zijn oog valt op een stuk glas dat hij uit het zand peutert. Hij weegt het op zijn handpalm en probeert te bedenken welke vorm het had voor het kapot ging. Als het niet lukt vouwt hij er gefrustreerd een voor een zijn vingers omheen en begint te knijpen tot hij rood sap uit zijn vuist perst. Daar waar de druppels vallen, spatten zandkorrels opzij. De duim van een groene, rubberen handschoen komt bloot te liggen. In het begin verzamelde hij de objecten die hij hier langs het water onder de spoorbrug vond. Een leeg boterkuipje uit Frankrijk, een pakje shag uit Duitsland, een groene frisbee en een regenboog aan rubberen handschoenen in alle kleuren. Hij opent zijn hand en laat de scherf vallen. Het kommetje dat hij maakt vult zich met bloed. Na een paar stappen vindt hij een stuk stof. Hij trekt aan het hoekje. Er komt een lange lap tevoorschijn die hij om de open wond wikkelt.
Wat heeft hem hier gebracht? Hij wil echte antwoorden en hij zal moeten graven. Hij zal spitten, hoewel hij er tegenop ziet. Lege pillendoosjes en naalden, die zal hij sowieso veel tegenkomen in zijn put. Diep weggestopt liggen ook botten en schedels van kikkers, een konijn, een meerkoet en een gans, dat weet hij ook nog wel. Maar hij zal eerst door de kat van de buren heen moeten. Die zal nog vol leven zitten. Duizenden maden die krioelen in een broeierige brei van vacht en vlees.
Hij begint te graven, zijn neusholtes gevuld met de geur van petroleum. Heel even ervaart hij een moment van helderheid. Heel even vallen de tetrisblokjes in zijn schedel netjes in elkaar. Maar dan dendert het lichaam van zijn vader eindeloos over hem heen en dringt de geur van alcohol zich naar binnen.
Hij staat op en begint een heel nieuw gat te graven naast het oude. Groter dit keer. Het geluid van zijn schop, klievend in het scherpe zand, doet hem denken aan die keer dat hij met zijn schaatsjes ondergebonden over de zanderige stoeptegels kluunde richting de bevroren sloot. Een herinnering zo normaal dat het onmogelijk de zijne kan zijn.
Hij kijkt naar de flinke schep zand op zijn schop en zwaait het met een krachtige beweging over zijn schouder het kolkende, briesende, bruisende water in. Met een sissend geluid lost het op en is het verdwenen. Nog een keer. Nog een keer. Nog een keer. Net zo lang tot het gat groot en diep genoeg is. Hij sleept de levenloze vorm het gat in en voor het eerst heeft deze voeten, benen, handen en een hoofd net als hij. Alleen dan kleiner. Hoe zijn ze hier terechtgekomen? Hij vraagt het zich echt af. Ja, met die roestbak van hem, maar dat bedoelt hij niet.
Als de volgende goederentrein de aarde doet beven ontdekt hij zijn fout. Hij heeft geen zand bewaard om het lichaam te bedekken. Hij wikkelt de lap van zijn hand en plaatst het op het hoofd. Dan trekt hij zijn trui uit en ook zijn schoenen, zijn sokken, zijn broek, zijn shirt en zijn onderbroek en bedekt er het lichaam mee. Even staart hij naar het resultaat. Plotseling voelt hij het weer, de leegte. Ook deze keer blijkt de verlichting van de pijn slechts tijdelijk te zijn.
De basaltstenen steken in zijn blote voeten. De koude stroming trekt aan zijn kuiten, knieën en bovenbenen tot er geen basaltstenen meer zijn. Het water kolkt, briest en bruist en met een sissend geluid lost hij op en is voor altijd verdwenen.

Plaats een reactie