Zaterdag 16 april 2016, 10:15 uur
‘Eens even kijken lieverd, waar was ik gebleven? O ja, hier: We zien een groepje jongens op gepaste afstand rondom de Wylerheks staan, in de steeg achter de Nico de Witt.’
Daar was je inderdaad gebleven, ma. Alleen een beetje jammer dat pa dit boek al heeft voorgelezen. Maar ik zal het niet laten merken. Daar ben ik goed in.
—
Vrijdag 11 november 1995, 17:01 uur
Hij draait het sleuteltje van zich af. Na twee nauwelijks hoorbare klikjes volgt het gebrul van het beest, zoals hij de 184 PK sterke acht-cilinder noemt. Hij geeft een paar keer flink gas en rijdt met slippende banden het weekend tegemoet. Het is pure frustratie waardoor zijn rechtervoet het pedaal te diep in duwt. Zijn kaken strak op elkaar klemmend snijdt hij de bochten aan alsof hij op een circuit rijdt. Alsof er vanmiddag geen tegenliggers bestaan.
Zijn baas… Een vuile teringlijer, dat is het.
—
Vrijdag 11 november 1995, 21:30 uur
‘Wat wil je drinken?’
‘Wat neem jij?’, vraag ik. Waarom heb ik nog zo’n iel stemmetje? Ik heb er alles voor over om vanavond een diepe mannenstem te hebben.
‘Een biertje’
‘Ja ik ook.’
Achter de bar staat de barman wat tegen de barvrouw aan te leunen. Er zit een man op een barkruk bij de gokautomaat te roken. En dan zijn Perry en ik er, omringd door lege stoelen, lege tafels, een lege bar en een al even lege dansvloer.
‘Proost.’
‘Proost, op een legendarische avond.’ Ik til het glas omhoog en Perry duwt onwennig het zijne ertegenaan. Ik blijf naar de deur kijken. Het zal toch wel snel drukker worden?
‘En wat vinden we van Maartje?’, vraag ik terwijl Perry onze biertjes neerzet.
Het is het derde rondje en de muziek staat al wat harder. De Stone Temple Pilots, zowaar. De barkrukken zijn inmiddels aardig bezet net als de meeste tafeltjes.
‘Oe! Maartje, lekker ding.’, antwoordt hij terwijl hij weer tegenover me gaat zitten.
‘Echt?’, vraag ik zogenaamd verrast. Natuurlijk is Maartje een lekker ding. Zucht, mijn mooie Maartje.
‘Siem, meen je dat nou?’, hapt Perry verontwaardigd toe. ‘Kom op, ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ben al gek op haar zolang ik haar ken.’
Ik ook, al drie maanden, en tien dagen om precies te zijn.
‘Op Maartje?’ Ik spreek het uit alsof de woorden zo vies zijn als de vloer waar mijn schoen aan vastkleeft. Hij tilt mijn halflege glas op om het te inspecteren. Ik kan het niet langer onderdrukken.
‘Nee, Maartje is geweldig!’, beken ik breed lachend met mijn hoofd in mijn nek en mijn handpalmen omhoogbrengend alsof ze twee sinaasappels wegen.
‘Hoor ik daar mijn naam?’
Holy shit. Suus en Maartje staan achter mij. Perry proest het uit. Vlug breng ik het bierglas naar mijn lippen.
‘Siem, jouw beurt.’, zegt Perry snel. ‘Dames wat drinken jullie?’
Goeie zet, dank je Perry, wat moet ik zonder jou? Met het vooruitzicht ons tafeltje met Suus en Maartje te delen sta ik snel op. Iets te snel. De dansvloer beweegt meer dan de mensen die erop staan. Dat is vast niet goed. Twee biertjes en twee Pasoa-jus, dat zijn mijn orders. De golvende vloer moet overgestoken worden en het zal me lukken.
Legendarisch. De avond is echt legendarisch geworden. Ik geniet ervan. We zitten met z’n vieren in de buik van een schip dat koers heeft gezet naar een voor mij nieuwe wereld. Never Alone schalt door het ruim en weerklinkt in onze hoofden. Af en toe raak ik de draad even kwijt. Dan begin ik maar te lachen. Het is ook echt grappig, ditte.
Perry, Suus en Maartje staan naast de tafel. Ze gebaren naar me. De muziek staat inmiddels snoeihard. Ik denk dat we gaan. Ik heb geen idee hoe laat het is en eigenlijk ook niet meer hoe laat ik thuis moest zijn. Ik sta op. Hopla, ik val bijna om maar weet me vrij goed te herstellen. De lichten hebben mooie kleuren en vloeien door de rokerige lucht boven de zwiepende hoofden. Als een rups bewegen we gevieren door de mensenmassa. Steeds als het even stokt, leg ik mijn hoofd te rusten op Maartjes schouder. Haren strijken langs mijn wang. De rups trekt weer verder totdat een koude tocht de regenboogrook verdrijft. De jassen. En ik moet plassen.
‘Ik moet plassen.’, zeg ik. Mijn stem is hees en mijn woorden klinken niet helemaal zoals ze zouden moeten.
Ik verlaat de rups en concentreer me op de deur van het mannen toilet. Een lange man verlaat het toilet, ik duik onder zijn arm naar binnen en mik op het enige lege urinoir. Zachtjes begin ik te giechelen en te plassen.
—
Vrijdag 11 november 1995, 0:55 uur
Zelfs zeven baco’s hebben zijn humeur niet kunnen oppoetsen. En dan liep hij ook nog eens zijn ex tegen het lijf. Met een venijnige blik in haar ogen trok ze de gozer waar ze gearmd mee liep de zijstraat in. De gemene lach, die nog drie seconde later opsteeg, was voor hem bedoeld en ging door merg en been. Hij heeft het gehad vanavond en loopt met grote passen naar het kleine, ommuurde parkeerterrein. In het schijnsel van de buitenlampen van de achteringang van hotel Astana ziet hij dat er iets helemaal mis is.
—
Vrijdag 11 november 1995, 0:58 uur
De nacht heeft een koud, scherp randje. Mensen lopen Kriskras door elkaar. Ze willen naar binnen, ze willen naar buiten, ze klitten in groepjes bij elkaar. Ze doen maar wat, die mensen. Plassen heeft me goed gedaan. Suus, Maartje en Perry blazen wolkjes als ze praten. Ik moet weer lachen. Dit mag nog niet stoppen. Een gil. Ik hoor klikkende hakken. Weer een gil die overgaat in een heerlijke, schrapende lach. Ik ken hen niet, maar ik lach op afstand mee.
‘Gaat het, Simon?’
Het is Perry die het vraagt. Maartje staat met haar handen in haar zakken naast hem. Suus rookt. Suus rookt?!?
‘Suus, je rookt!’, merk ik verbaasd op. Suus rookt.
‘Hé!’, roep ik naar het drietal. ‘Beste avond ooit!’
Dan verstoort een irritant zware mannenstem de frisse lucht. Een kruising tussen een mens en graafmachine bestormt ons pleintje.
‘GODVERDOMME!!! Wie heeft mijn spiegels vernield?’
Het drukke, donkere pleintje valt stil.
Ik weet een grap.
‘Hé!’, roep ik brutaal. ‘Denk even aan je taalgebruik! Zeg gewoon potjandorie.’
Een klem om mijn nek.
—
Zaterdag 16 april 2016, 13:38 uur
God, ik praat tegen je. In de pijnlijke, heldere momenten van mijn krankzinnigheid praat ik tegen je. Losgerukt van mijn lichaam moet ik toch iets? Ik denk dat ik inmiddels thuis op mijn eigen kamer lig, maar het had net zo goed de ingestorte kelder onder een vergeten flatgebouw kunnen zijn. Met tientallen meters aan betonbrokken en verwrongen staal op mijn lichaam gedrukt en mijn hoofd miraculeus vrij in een oneindig vacuüm.
Het enige wat ik kan is registreren. Registreren dat ik al een eeuwigheid in leven word gehouden. Dat ik een nog langere eeuwigheid te gaan heb.
De prikkelstesten zijn het ergst. Prikjes in mijn armen en benen. Een lamp in mijn ogen. Het is alsof ik wakker geschud moet worden uit een verlamde nachtmerrie maar slechts gestreeld wordt. Dompel me onder in een bad koud water! Verdrink me, dan moet ik wel wakker worden. En zo niet ook goed.
—
Vrijdag 11 november 1995, 01:00 uur
Geluiden vervagen. Kleuren verdwijnen, mijn spieren slap.
‘Klootzak!’
Is dat Perry’s stem?
Dan is de klem weg. Ik rochel en snak naar adem. Ik val. Ik voel de koude klinkers met mijn handpalmen. Bewegende schoenen schuifelen gevaarlijk dicht bij mijn hoofd. De ruis in mijn oor gaat over in geschreeuw. Gekraak. En dan stilte. Een hoofd komt voorbij in mijn gezichtsveld en blijft bewegingloos voor me liggen. Zo dichtbij. Ik staar naar bloed dat klettert op losse zandkorrels tussen twee klinkers. Angstig volg ik het straaltje omhoog en zie het oor waar het uit sijpelt.
—
Zaterdag 16 april 2016, 13:57 uur
Straks komt híj́ weer. Door spijt doordrenkte woorden weerkaatsen dan ongevraagd in de krochten van mijn kerker. Zeg maar niets meer.

Plaats een reactie